Gehele blad

Normalisatie Afvalwatersector

Gehele blad
305

Normalisatie Afvalwatersector

Normen zijn gedocumenteerde overeenkomsten, waarin belangrijke criteria voor goederen, diensten en processen zijn vastgelegd. Ze dragen er toe bij dat goederen en diensten geschikt zijn voor hun doel, met elkaar vergeleken kunnen worden en onderling uitwisselbaar zijn. Deze overeenkomsten zijn op zichzelf niet bindend en de toepassing (voor zover niet wettelijk of contractueel voorgeschreven) is vrijwillig. Normen geven best-practises en komen tot stand op basis van consensus door de inbreng van belanghebbenden. Ook voor riolering bestaan een groot aantal normen (standaards) en werkt de overheid en het bedrijfsleven aan normalisatie (standaardisatie) op een groot aantal actuele thema‘s. Dit artikel gaat in op het nut en de noodzaak van normering voor de afvalwatersector.
312

Oude en nieuwe inzichten leveren innovatieve kansen voor slibgistingsproces - deel 1: Basis en theorie

In Nederland zijn anno 2011 24% van de momenteel operationele 352 communale riool- en afvalwaterzuiveringsinrichtingen (RWZI‘s) uitgevoerd met een slibgisting waar ruw of ingedikt primair slib en secundair slib wordt uitgegist. In deze 86 slibgis-tingsinstallaties wordt circa 50% van al het geproduceerde slib verwerkt dat op de RWZI‘s wordt geproduceerd. Slibgisting speelt een belangrijke rol in de slibstabilisa-tie, de slibreductie en de energie- en warmtevoorziening voor zuiveringsinstallaties. Doelmatige kostenreductie en duurzaamheid zijn een belangrijke drijfveer voor slib-gisting. Tot een aantal jaar geleden werd slibgisting als een secundaire voorziening op een RWZI gezien. De aandacht voor het slibgistingsproces was sinds het begin van de jaren 90 van de vorige eeuw enigszins op de achtergrond is geraakt. Slibgis-tingsinstallaties zijn stilgezet of geamoveerd in verband met een minder goede com-binatie met biologisch defosfateren. Dit was althans een periode de gangbare visie. Met het in werking treden van het door de waterschappen ondertekende Meerjarenafspraak 3 (MJA 3) zijn doelstellingen afgesproken voor verbetering van de energie-efficiency van rioolwaterzuiveringen.
325

EPIGONE, een pragmatisch meetnet voor de bewaking van knijpconstructies

In het kader van een resultaatverbintenis tussen de ecologische toezichthouder VMM (Vlaamse Milieumaatschappij) en de enige bovengemeentelijke afvalwaterzuiveraar Aquafin werd er in Vlaanderen een systeem van Ecologische Performantie Indicatoren ontwikkeld, kortweg EPI‘s genoemd. [Vaes et al, 2005]. In gezamenlijk overleg werd een EPI-kader ontwikkeld met concreet 5 indicatoren voor het stelsel transportsysteem - RWZI (zie Figuur 1). Deze EPI‘s hebben als doel een toetsingskader te creëren om het afvalwatersysteem (zuiveringsinstallatie en transportsysteem) zo optimaal mogelijk te laten functioneren. Concreet zijn er twee indicatoren1 op niveau RWZI (Indicatoren 6 en 7), twee indicatoren op niveau transportstelsel (Indicatoren 8 en 9) en één overkoepelende indicator (Indicator 10) die betrekking heeft op het algemeen beheer van de zuiveringsinfrastructuur. Indicator 8 (EPI8) gaat in eerste instantie de correcte werking na van pompstations. De beoordeling van kritische doorvoerconstructies zal ook onder deze indicator vallen. Voor een aantal van de indicatoren bestaat er ook reeds een operationeel opvolgingssysteem (metingen). Voor de beoordeling van kritieke doorvoerleidingen was dat tot op heden niet het geval. Dit artikel beschrijft stap voor stap de uitwerking van een kostenefficient opvolgingssysteem, EPIGONE genoemd, voor de bewaking van (kritische) knijpconstructies.
341

Evaluatie en actualisatie van de IDFneerslagstatistieken te Ukkel

In Willems (2009) werd de invloed van de klimaatverandering op ontwerpparameters voor rioleringen en buffervoorzieningen besproken. In dat artikel werd op basis van de huidig beschikbare kennis over de toekomstige klimaatevoluties een inschatting gemaakt van de verandering in neerslagstatistieken en bijhorende ontwerpwaarden uit de Code van Goede Praktijk tot het jaar 2100. Hierbij werd rekening gehouden met de onzekerheden op de inschatting van de toekomstige evoluties van het klimaat. De veranderende klimaatcondities werden vertaald naar aangepaste neerslagreeksen en ontwerpbuien die gebruikt kunnen worden in ontwerptoepassingen en modelleringsstudies van stedelijke hydrologie. In het kader van de besprekingen rond de herziening van de Code van Goede Praktijk voor het Ontwerp van Rioleringssystemen door een werkgroep van de Vlaamse coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid (CIW) rees de vraag of de neerslagstatistieken voor de huidige klimaatcondities niet geactualiseerd moeten worden rekening houdend met de klimaatevoluties die de laatste decennia zijn opgetreden. Het voorliggend artikel maakt hiervan een analyse en stelt een (beperkte) aanpassing van de IDFneerslagstatistieken voor. De analyse is gebaseerd op de volledig beschikbare meetreeks van 10-minuten neerslagintensiteiten van het Koninklijk Meteorologisch Instituut van België (KMI) te Ukkel. Terwijl in het voorgaand artikel van Willems (2009) de metingen van de periode 1898-2005 gebruikt werden, heeft het KMI ondertussen twee bijkomende jaren (2006 en 2007) aan metingen ter beschikking. Dat brengt de totale periode op 110 jaar. De KMI-neerslagreeks van Ukkel is wereldwijd bijzonder uniek, niet enkel omwille van haar lengte en de 10-minuten temporele resolutie, maar ook omdat de metingen sinds 1898 met dezelfde pluviograaf en op dezelfde meetlocatie zijn bekomen (Demarée et al., 1998).